Beekman kreeg zijn opleiding bij de Marine. Net als twee oudere broers van hem. Op 25 november 1903 schreef hij zijn naam ‘op de rol’ van H.M. Wachtschip Willemsoord, waarmee hij vanaf dat moment was ingelijfd in Harer Majesteits Zeedienst als stoker 3e klasse voor de tijd van zes jaren.
Cor had dat niet hoeven doen met twee broers in dienst. In 1898 was de persoonlijke dienstplicht ingevoerd als vervanging van de schutterij. Hij deed het echter vrijwillig, om een vak te leren en ‘van de straat’ te zijn. De vraag naar stokers in de 19e en begin 20e eeuw maakte het vak populair. Overal, zowel ter zee als op land, waren ketelinstallaties in bedrijf. Altijd was mankracht nodig voor het aanvoeren en het verstoken van de brandstof. Ook op zeeschepen met stoominstallaties was deze ontwikkeling gaande.
Maar Cor leerde dan wel het vak, maar hij had moeite met de discipline. Steeds botste hij met de regels en dat leverde meermaals straf op. Zijn conduite-boekje staat vol met overtredingen en bijbehorende tuchtmaatregelen. Dat kon strafdienst inhouden (dekschrobben ofzo), of scheepsarrest (mocht je niet van boord in je vrije tijd) of provoostarrest, dan zat je enkele dagen in de strafgevangenis met als het tegenzat op water en brood en om de dag gewone voeding, dat wel.
Toen Beekman op 25 november 1903 begon bij de Marine, was het wachtschip ‘Willemsoord’ zijn eerste onderkomen.
‘Goedsmoeds arriveerde Cor op het uitgestrekte terrein van de rijkswerf in Den Helder waar diverse dokken, schepen, gebouwen, werkplaatsen en magazijnen te vinden waren. Marineschepen werden hier voorzien van hun uitrusting, gerepareerd en in goede conditie gehouden. Jonge mannen vonden hier hun opleiding in alle voorkomende functies bij de zeemacht. Het nieuwe onderkomen van Cor werd het wachtschip ‘Willemsoord’ en de komende maanden zouden een opeenvolgende regelmaat van vaste tijden en werkzaamheden worden.’
Na een bezoek aan de kooi- en zakkenboer, waar nieuwe rekruten ‘in het pak werden gehesen’, kregen ze een tweetal plunjezakken waar de totale plunje in werd gestouwd. In zijn conduite-boekje werd keurig genoteerd wat Cor schuldig ofwel wat hij ‘te kwaad’ was aan het Rijk, want de uitrusting werd zelf betaald. Vervolgens moest op de naaizolder de persoonlijke uitrusting worden voorzien van je stamboeknummer en ook dat moest je zelf volgens bepaalde regels innaaien. Een kettingsteek met naald en draad in rood en zwart naaigaren, zeven steken op de lengte van een naald. Uitgezonderd van het nummeren waren de zes zakdoekjes, schoenen en kledingborstel, pompoesjes en plunjezak, welke mochten worden gestempeld met Oost-Indische stempelinkt, de borstels met slagletters.
Alle miliciens volgden na hun inlijving een korte tijd dezelfde opleiding, gewijd aan hun militaire vorming. Daarna ontvingen de zeemiliciens-matroos aan boord van het logementschip onderricht en werden geoefend in de exercitie met scheepsgeschut, geweer, sabel en infanterie-exercitiën. Verder het roeien en pagaaien en het uitbrengen van trossen en werpen, het omgaan en zeilen met sloepen, de gymnastiek, de sport en het zwemmen; matrozenwerk, splitsen en knopen, het kompas, het sturen, het loden en het enteren.
Uit degenen, die daarvoor de vereiste geschiktheid bezaten, werden de stokers en de machinedrijvers gekozen. Beekman had wat ervaring en was sterk, maar vooral zijn kleine postuur was praktisch, want hij kon gemakkelijk door het mangat in een ketel, wanneer het inwendige moest worden schoongemaakt

In december 1904 slaagde Beekman voor zijn proef ‘stoker 2e klasse’ en kon hij met ingang van het nieuwe jaar naar Hr.Ms. ‘Van Speijk’. Zes weken later ging hij over op de Hr.Ms. ‘Marnix’.
De Marnix was een in 1867 gebouwd schroefstoomschip, dat in 1888 als logementschip voor de torpedodienst dienst ging doen. De Torpedodienst was een onderdeel van de Nederlandse Koninklijke Marine van 1870 tot 1978. Onderdelen zoals de Onderzeedienst en de Mijnendienst zijn voortgekomen uit de Torpedodienst. De Torpedodienst moest aanvankelijk alle kleine schepen, waaronder ook de onderzeeboot Hr. Ms. O 1, bemannen, daardoor bestond de Torpedodienst in 1914 uit ruim 1000 man.
De Torpedodienst had locaties in Amsterdam, Hellevoetsluis en Willemsoord in Den Helder. Hier waren werkplaatsen aanwezig en een inschietbaan waar tests met torpedo’s uitgevoerd konden worden. De locaties Amsterdam en Hellevoetsluis werden na 1918 opgeheven en de Torpedodienst werd gecentraliseerd in Den Helder. De ‘Marnix werd in 1908 buiten gebruik gesteld en vervangen door de ‘Koningin Emma’.

Die buitengebruikstelling maakte Beekman niet meer mee, want in augustus 1905 werd hij al overgeplaatst en dat was niet zomaar. Daarover later meer.
Info bij de Marine over personeel
Marinepersoneel, 1795-1945 | Nationaal Archief
