Op 8 februari 1943 stierf Anton Nichting in Kamp Vught. Dat was twee jaar nadat Cor Beekman vermist raakte op de Atlantische Oceaan. Wat doet een verzetsman in een boek over de Beursplein?
Anton Nichting (Rotterdam 7-7-1884) was de zwager van Cor Beekman. Sinds wanneer zij elkaar kenden, is onbekend. Anton en Cor begonnen nagenoeg gelijktijdig bij de Marine in 1903, dus het is goed mogelijk dat ze elkaar uit de opleiding kenden. Nichting had een voorspoedige carrière bij de zeemacht en ging op meerdere expedities naar de Oost. In 1924 trouwde hij met Willemien Ruiter, de zus van Cor’s vrouw.
Wie de vader was van haar eerste drie koters, vermeldt de geschiedenis niet, maar Anton Nichting tekent voor de vierde. Hij ‘tekent’ ook voor de derde: bij zijn huwelijk met Wil erkent hij de dan 13 jaar oude Johannes Franciscus Ruiter. Wat niet wil zeggen dat hij daadwerkelijk de vader is.
Op 5 april 1925 werd hun zoon Petrus Antonius geboren. Helaas mocht het huwelijk nog geen zes jaar duren, want Willemien overleed in 1930. Hetzelfde jaar hertrouwde Nichting met de weduwe Wilhelmina Zweere (1876/1945). Zij werd nogmaals weduwe, want Anton Nichting stierf dus op 8 februari 1943 in Kamp Vught.
Wat was er gebeurd?
Anton raakte in Rotterdam betrokken bij het verzet. Hij vervalste ondermeer persoonsbewijzen voor joodse onderduikers. Op 7 november 1942 werd hij gearresteerd en zat tot 18 november gevangen in het Huis van Bewaring aan de Noordsingel. Op 28 november 1942 volgde transport naar Amersfoort. Na zijn arrestatie heeft hij nooit iets losgelaten over zijn verzetswerk en daarom is er ook niets over bekend.
Beroepsmarinier
Anton Nichting had wel veel meegemaakt in zijn leven, historische gebeurtenissen die inmiddels zo ver van onze belevingswereld afstaan dat wij ze nauwelijks in het juiste licht kunnen plaatsen. Zo nam hij in 1905 deel aan de expeditie tegen het Rijk van Boni en datzelfde jaar tegen het Rijk van Leoewoe. Tussen 1906 en 1908 1906 aan de Bali-expeditie. Daarvoor werd hij zelfs onderscheiden.
Om het imperialistische gezag over Nederlands-Indië te kunnen laten gelden, moest het Nederlandse (militaire) bestuur wel kunnen rekenen op de medewerking van de plaatselijke vorsten op alle eilanden. Niet voor niks werden er dan ook gedurende de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw vele expedities en oorlogen gevoerd. Zo ook in 1905 op Zuid-Celebes waar diverse lokale koninkrijken onderling hun conflicten uitvochten en geen geld afdroegen aan het centrale gezag in Batavia. Om dit de kop in te drukken werd in dat jaar een expeditie opgezet om o.a. de grootste verzetsleider, de radja van Boni, op te pakken.
Over deze expeditie schreef de historicus Heleen Pronk een uitgebreid en van veel bijzonder fotomateriaal voorzien artikel in het jaarboek Armamentaria (2006/2007), getiteld Militaire expeditie naar Zuid-Celebes 1905-1906: foto’s, officieren en geschenken.
Of Hein van Dugteren die er (ook) bij was.

‘Het eerste wat Maria vertelde toen Beekman in februari 1930 thuis kwam, was dat ze had gehoord dat zijn vroegere schoonzus was overleden. Cor keek er van op, zo oud was Willemien niet geweest. Hij liep op zondagmiddag eens aan bij Nichting. Hij had Anton benijd om zijn rijke carrière bij de Marine waar hij tot een half jaar na zijn huwelijk met Willemien had gediend. Ze waren nagenoeg gelijktijdig begonnen in Den Helder, alleen was Anton al na drie maanden naar de ‘Marnix’ gegaan en werd een half jaar vóór Cor al stoker tweede klasse. Hij had het daarna zelfs weten te brengen tot korporaal-machinedrijver, was naar de Oost gegaan en onderscheiden voor zijn inzet tijdens de expeditie op Zuid-Celebes. Anton had eenmaal daarover verteld hoe ze in 1905 op jacht gingen naar de Radja van Boni op Celebes waar diverse lokale koninkrijken onderling hun conflicten uitvochten en geen geld afdroegen aan het centrale gezag in Batavia.
Een jaar later was hij ook bij de strafexpeditie van het Nederlands-Indisch Leger in Zuid-Bali, iets vanwege de opiumhandel daar, maar vooral om de semi-zelfstandigheid van enkele vorstendommen op Bali verder in te perken. Honderden doden waren gevallen bij de Perang Poepoetan: strijd tot de laatste man, een vorm van rituele collectieve zelfmoord.
Anton was een man van weinig woorden en sprak hier verder niet over. Twee littekens op zijn rechterwang getuigden ogenschijnlijk stilzwijgend mee, maar deze had Anton al voordat hij bij de Marine kwam.
“Principiële tegenstanders van dergelijke ‘karweitjes’ trof je nog niet aan. Gemoedsbezwaren werden eerst later uitgevonden, zoals ook de ‘anti-militaire karaktereigenschappen’. Je kende aan boord slechts principiële kankeraars.”
Die middag zei hij alleen “Wist je dat ik op Bali de laatste weduweverbranding heb meegemaakt?”
Nog geen half jaar later hertrouwde Nichting.’
