Op 20 februari 1941 ging korvettenkapitän Günther Prien aan boord van zijn duikboot. Het zou zijn meest succesvolle reis worden, maar ook zijn laatste. In Kiel aan de Knisberg 12 kende een vrouw met twee kindertjes dezelfde onzekerheid als de vrouwen van koopvaardijbemanning op zee in die tijd. ‘Komt mijn man nog thuis?’
Prien was na negen uitermate succesvolle missies zo bewonderd en geliefd bij de Duitse bevolking, dat de marineleiding niet meer wilde dat hij ging varen om de simpele reden dat de eventuele dood van Duitslands meest populaire zeeman gigantische morele gevolgen zou hebben voor de propaganda. Prien besloot te stoppen met zijn zeevaartcarrière en zou gaan lesgeven aan toekomstige U-boot-kapiteins. Hij zou nog eenmaal een reis maken. Uitgerekend op die reis werd zijn schip tot zinken gebracht.
Priens moeder, die haar tweede zoon zou verliezen op 5 oktober 1943 (Günthers halfbroer luitenant Hans-Joachim ‘Achim’ Bohstedt sneuvelde als U-bootbestuurder en wachtofficier op de U-389), ontving op 20 mei 1941 in Leipzig een condoleancebrief van Rijksmaarschalk Göring.
“… Maar omdat zijn naam zoveel angst betekent voor de tegenstander, nu hij zichzelf niet meer kan aanvallen, moet zijn onsterfelijke naam werken, en zolang dit werk geldig is na de dood, moeten we zwijgen over de omgeving. …”
Met andere woorden: zijn dood mocht niet bekend worden. Propagandaminister Josef Goebbels wilde het verlies geheim houden voor het publiek om te voorkomen dat het moreel in zou zakken.
De Britten dachten daar anders over en dropten pamfletten boven Duitsland. Britten bleken vaker dwarsliggers. Zijn moeder had dan wel officieel en formeel bericht ontvangen, maar na de oorlog maakte zij toch moeilijke tijden door toen ze op een dag, door Engelse geruchten over haar zoon, zou worden veroordeeld weer hoop te koesteren. In 1950/’51 vluchtte / verhuisde zij naar West-Berlijn (afhankelijk van de bron) en woonde daar in een bejaardentehuis. In 1954 overleed Margarethe Bohstedt, gescheiden van Prien, geboren Schalck, in Berlijn.
Oorlog bepaalt niet wie gelijk heeft, alleen wie er overblijft.
Over kapitein Günther Prien (16-1-1908 / 8-3-1941) is op diverse sites info te vinden. Zijn carrière, zijn successen en onderscheidingen…. Over wie Prien als mens was, is minder te vinden. Zijn glorie overschaduwt zijn mens-zijn.
Foto’s tonen een sympathieke, prettig ogende man. Hij was klein van stuk en gedreven: hij wist waarover hij sprak en eiste van zijn bemanning perfectie en dat is logisch want in de beperkte ruimte van een onderzeeër ben je op elkaar aangewezen en elke fout kan fatale gevolgen krijgen.
Oberleutnant zur See Prien was in 1939 met zijn verloofde Ingeborg getrouwd in Deutsch Krone. Tot 1940 woonde hij volgens het adresboek nog met zijn vrouw in de (marine)havenstad Kiel (Knisberg 12). Ingeborg was de dochter van de commandant van het militaire commando van het district Cheb in Tsjechië, kolonel Ernst Messerschmidt. Nadat haar man in 1941 op zee was gebleven, woonde Ingeborg met haar dochtertjes Birgit en Dagmar bij haar ouders aan de Schanzstraße 26 in Eger.
Na de oorlog hertrouwde de weduwe met een luitenant-kolonel. van de nieuw opgerichte Bundeswehr en veranderde haar naam in Inge Sturm-Prien. Het laatst woonde zij met haar man in de Frankische stad Kulmbach (volgens een artikel uit 1958).
Echte leider
Prien leerde tijdens zijn opleiding in 1930 telegrafie, scheepsbehandeling, leiderschap en zeewetten.
Volgens admiraal Dönitz ‘bezat hij alle persoonlijke kwaliteiten en professionele capaciteiten die nodig waren’. Prien had de reputatie zeer tuchtvol en strak disciplinair te zijn. Het was niet ongewoon dat na een patrouille een derde van de bemanning op rapport moest.
Hoe hij in oktober 1939 de Engelse vloot verschalkte en schade toebracht, wat hem de bijnaam ‘De Stier van Scapa Flow’ opleverde, is omstandig te vinden en leest als een spannend jongensboek.
Kapitein von Puttkammer bracht leven in de dagelijkse gang van zaken in de Reichskanzlei met het nieuws dat een Duitse U-boot op 13 oktober 1939 Scapa Flow was binnengevaren en twee pantserkruisers tot zinken had gebracht. De andere berichten bevestigden het eerste nieuws. Na twee dagen werd bekend gemaakt dat de U-boot onder commando van Kapitänleutnant Prien in de middaguren Wilhelmshaven zou binnenvaren.
‘Ik stelde Hitler voor om de hele bemanning van Wilhelmshaven naar Berlijn te vliegen met onze twee grote Condor-vliegtuigen waar hij ze dan persoonlijk kon begroeten. Hitler stemde toe, ik vertrok onmiddellijk en landde kort voordat de U-boot Wilhelmshaven binnenvoer. We bleven op het vliegveld en wachtten daar op de bemanning. Ze kwam ook rechtstreeks naar de machines: in met olie doordrenkte kleren en met grimmige baarden.
De marineleiding wilde de mannen echter niet op deze manier naar Berlijn laten vliegen. Je moest je eerst scheren, je moest je uniform veranderen. Prien maakte een geweldige indruk op mij: hij was klein, maar zeer levendig en beeldend in het beschrijven van zijn ervaringen. Ik verdeelde de mannen van de bemanning – bijna dertig in getal – die er nu zo totaal anders uitzagen, over de twee machines. De luitenant van de kapitein zat naast me op de stoel van de machinist. Een fotograaf van Hoffmann heeft tijdens de vlucht hele mooie foto’s van ons gemaakt. Afgesproken werd dat we weer in Kiel zouden overnachten om de volgende ochtend in Berlijn aan te komen. Om 10.30 uur zou op het Tempelhofer Feld een officiële receptie plaatsvinden. We stegen zo op vanuit Kiel dat we stipt op tijd landden op het vliegveld Tempelhof. De mannen – allen in nieuwe uniformen – maakten een zeer goede indruk. Vertegenwoordigers van de Reichsregierung en de stad Berlijn woonden de receptie bij. Al gauw gingen we verder naar de Reichskanzlei waar Hitler iedereen hartelijk begroette. Het team was uitgenodigd door Goebbels en de stad Berlijn. Ze werden overladen met geschenken en eerbewijzen van ambtenaren en de bevolking. Ze verbleef een week in Berlijn. Toen ze werden teruggebracht naar hun onderzeeër, naar nieuwe reizen en een leven van zelfopoffering, had geen van hen de uiteindelijke hopeloosheid van hun heroïsche strijd kunnen vermoeden.’
(Hans Bauer in: Mit Mächtigen zwischen Himmel und Erde, K.W. Schütz-Verlag.)
Prien publiceerde in 1940 zijn biografie ‘Mein Weg nach Scapa Flow’ en dat werd al snel één van de populairste boeken van het Derde Rijk. Met een oplage van 890.000 exemplaren was het nummer 8 op de bestsellerlijst tijdens het nazi-tijdperk. Overigens was het eigenlijk geschreven door Paul Weymar, een schrijver die door de uitgeverij, Deutscher Verlag, was ingehuurd als co-schrijver voor de autobiografie. In slechts zes weken opgesteld, was Weymars manuscripts doorspekt met fouten en duidelijk opgesteld om te helpen bij het recruteren van jonge mannen voor de onderzeebootdienst; het primaire doel was om het Duitse volk te voorzien van een heldhaftig en moraal vergrotend verhaal en niet het correct weergeven van een historische gebeurtenis. Verdere wijzigingen door zowel de legertop en het Ministerie van Propaganda leidden alleen maar tot meer fouten in de tekst. Wat met name opvalt in het verhaal is het ontbreken van de verwijzing naar weigerende torpedo’s tijdens de aanval in Scapa Flow, maar aangezien het boek werd gepubliceerd in 1940 is het ontbreken van zulke details volkomen begrijpelijk.
Ingeborg vertelde later dat Günther “erg boos” was toen hij het manuscript ontving en dat hij “dingen bleef schrappen”. De wijzigingen die haar man had aangebracht werden naar haar mening nooit opgenomen in het uiteindelijk gepubliceerde boek. De co-schrijver Weymar zelf was zo ongelukkig met zijn betrokkenheid bij het boek, dat hij weigerde iets te maken te hebben met ‘Priens boek’ tot zelfs tien jaar na de oorlog in 1955.

Op 21 oktober 1940 kreeg Prien op zee het bericht dat hij de dag ervoor het Ridderkruis van het IJzeren Kruis met Eikenloof (Ritterkreuz des Eisernen Kreuzes mit Eichenlaub) had gekregen. Hij was het vijfde lid van de Wehrmacht en het eerste lid van de Kriegsmarine dat zo werd geëerd. De U-47 keerde op 23 oktober terug naar Lorient. Hij kreeg het Ridderkruis persoonlijk uit handen van Adolf Hitler.
Laatste reis

Op 20 februari voer de U-47 met een bemanning van 45 koppen uit vanaf de duikbootbasis in het Franse Lorient voor haar tiende patrouille in de Noord-Atlantische wateren. Sinds de schepen meestal in konvooien voeren die door oorlogsschepen werden beschermd, was de jacht op geallieerde vrachtschepen een stuk moeilijker geworden. Onderweg naar de westkust van Ierland, stuitte de bemanning op 25 februari, net buiten de Ierse Zee, onverwacht op konvooi OB-290. Het konvooi waarin Beekman voer. De schepen bevonden zich op slechts vijf kilometer afstand. Kapitein Prien vroeg aan admiraal Dönitz om versterkingen, maar toen deze niet op tijd aankwamen, besloot de gezagvoerder van de U-47 het konvooi op eigen houtje aan te vallen.
Hij vuurde in iets meer dan een uur tijd 4 torpedo’s af die alle doel troffen. Voordat hun positie was gelokaliseerd en dieptebommen konden worden afgeworpen, was de U-47 al uit de buurt. De luchtbrigade zou het werk voortzetten.
Het laatste radiobericht van de U-47 werd ontvangen in de ochtend van 7 maart, waarin een positie ten zuiden van IJsland in de Noord-Atlantische Oceaan werd aangegeven. Daarna werd de duikboot vermist. Wat was er gebeurd?
Op 7 maart 1941 kwam Prien ten zuiden van IJsland de 20.638 ton zware Britse walvisvaarder ‘Terje Viken’ (kapitein O. Borchgrevink) tegen. Het schip maakte deel uit van het konvooi vrachtschepen OB-293. De U-47 maakte overigens deel uit van een groep U-boten die aanvielen volgens de ‘roedeltactiek’, een door Otto Kretschmer bedachte aanvalstechniek (andere bronnen noemen admiraal Karl Dönitz). Nachtelijke verrassingsaanvallen waarbij grote groepen U-boten een heel eskader vernietigden. Deze aanvalstactiek was extreem effectief en na hem nam bijna iedere U-bootkapitein het idee over.
Zo ook de aanval op konvooi OB-293. Deze werd uitgevoerd door de U-99 (kapt. Otto Kretschmer), de U-70 (kapt. Joachim Matz), de U-47 (kapt. Günther Prien), de U-37 (kapt. Nicolai Clausen) en de UA (kapt. Hans Eckermann).
Om 05.05 uur werd de Terje Viken (op dat moment het grootste fabrieksschip voor de walvisvaart ter wereld) getroffen door twee torpedo’s. Dit moet de U-47 van Prien zijn geweest.
Om 05.50 uur werd het schip gemist door een spreiding van drie torpedo’s van de U-70 (Matz), maar tegelijkertijd vuurde de U-99 (Kretschmer) een torpedo af die aan bakboordzijde insloeg en de bemanning verliet het schip. Later ging een deel van de bemanning weer aan boord van het schip en probeerde haar te redden, maar ze kapseisde om 18.55 uur.
De escorterende torpedobootjagers ‘HMS Wolverine’ en ‘Verity’ reageerden fel. Wat er precies gebeurde is onduidelijk. De aanval leidde tot een vijf uur durende achtervolging vanaf 00:23 uur op 8 maart.
Ontplofte een verkeerd afgestelde torpedo vlak bij zijn eigen schip? De torpedo verraadde Priens locatie en de Wolverine gooide een tapijt dieptebommen boven de U-47. Prien en zijn voltallige 45-koppige bemanning kwam om het leven toen de U-47 geraakt werd door een van deze dieptebommen en explodeerde. (Hedendaagse inzichten spreken dit weer tegen omdat de Wolverine in feite de U-boot van Korvettenkapitän Hans Eckermann aanviel, die na averij het toneel moest verlaten. Prien zou dan geraakt kunnen zijn door een van zijn eigen rondcirkelende torpedo’s.)
Om 05:19 uur werd Prien aan de oppervlakte gegrepen en dook, maar kon niet ontsnappen aan de snelle dieptebomaanval van de escortes.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de Britse torpedobootjager HMS Wolverine HMS Verity, die om beurten elkaars ASDIC-blinde vlekken bedekten, patronen van dieptebommen lieten vallen totdat de U-47 bijna naar de oppervlakte steeg voordat hij zonk en vervolgens explodeerde met een oranje flits zichtbaar vanaf het oppervlak. Andere Britse rapporten van de actie vermelden een grote rode gloed die diep onder het oppervlak verschijnt te midden van de dieptebomexplosies.
Op 24 mei 1941 kondigde het opperbevel van de Wehrmacht aan dat U-47 niet was teruggekeerd van een missie en dat de dood van Prien te verwachten was. Dit nieuws beïnvloedde de stemming van het Duitse volk, zoals blijkt uit berichten van de SD, die spreken van een algemene rouw. In de aanloop naar de aankondiging reageerde het Ministerie van Propaganda door de overlijdensaankondiging in te bedden in succesverhalen. Tot 1945 bleven geruchten de ronde doen dat Prien het had overleefd. In 1946 verscheen het officiële Britse verslag (The Battle of Atlantic, Londen 1946) met de mededeling dat de U-47 tot zinken was gebracht door dieptebommen van de Wolverine.
Dit incident was het begin van een zwarte periode voor de duitse onderzeebootvloot. Prien werd als vermist beschouwd. Slechts tien dagen later verdwenen twee van Priens mede-kampioenen ook van de aardbodem: Joachim Schepke en de U-100 verdwenen in de koude Noordatlantische oceaan en Otto Kretschmer en zijn bemanning van de U-99 werden gevangen genomen door de Britten.
Admiraal Dönitz was geschokt door het verlies van drie van zijn beste bemanningen. Propagandaminister Josef Goebbels wilde het verlies geheim houden voor het publiek om te voorkomen dat het moreel in zou zakken. Zich van deze doofpot bewust, dropten de Britten pamfletten boven Duitsland met de tekst:
Schepke – Kretschmer – Prien. Wat is er geworden van deze drie officieren, de beroemdste Duitse onderzeeboot commandanten, de enigen die door Hitler zijn beloond met de eikenbladeren voor hun ridderkruis? Schepke is dood. Het Duitse opperbevel moest dit bevestigen. Kretschmer zit gevangen. Het Duitse opperbevel moest dit bevestigen. En Prien? Wie heeft er recent nog iets van hem vernomen? Wat heeft het Duitse opperbevel te zeggen over Prien? Waar is Prien?

In de 238 dagen die Günther Prien van september 1939 tot maart 1941 met zijn U-47 op de Atlantische Oceaan doorbracht, torpedeerde hij naast het fameuze HMS ‘Royal Oak’ nog 31 andere schepen waarbij duizenden zeelui het leven lieten.
Prien was niet degene die verantwoordelijk was voor de dood van Beekman, dat waren de piloten die in de avond van die lange dag hun bommen wierpen. Opmerkelijk is wel dat Beekman en Prien kort na elkaar maar ook dicht bij elkaar stierven, in de Atlantische Oceaan ten zuiden van IJsland.
Hun stoffelijk overschot verging en hun beenderen zijn met de tijd verspreid over de bodem van de onmetelijke oceaan. Het is niet ondenkbaar dat hun restanten elkaar raakten in die stilte waar verschil noch onderscheid is, vriend- noch vijandschap.
Laat het eeuwig licht op hen schijnen, O Heer
voor eeuwig bij uw heiligen, omdat Gij liefdevol zijt.
Schenk hun eeuwige rust, O Heer;
en laat het eeuwig licht op hen schijnen.
Hier (helemaal onderaan) een film waarin een beeld wordt geschetst over het doen en laten aan boord van een duikboot, het leven van Prien en de invloed daarvan op zijn vrouw Ingeborg.
En met deze geweldige film met Tom Hanks ben je direct betrokken…. je zit er middenin!
Nog meer weten?
https://ww2gravestone.com/people/prien-gunther/
http://www.u47.org/nederlands/u47_pri.asp
https://nl.wikipedia.org/wiki/G%C3%BCnther_Prien#cite_note-:0-2
https://en.wikipedia.org/wiki/G%C3%BCnther_Prien
