Het zal 1970 zijn geweest dat ik met mijn ouders Madurodam bezocht. Door de ministad reden de gele trams zoals we die uit Rotterdam kenden in die dagen. Een sproeier op het gazon veroorzaakte kortsluiting bij één tramstel, waardoor deze niet verder reed. Mijn vader stapte over het lage hekje en gaf een duwtje. Het toezicht vanuit de toren, alert op overtredingen om dan een waarschuwing om te roepen, zag het mooi niet.
Deze intro heeft totaal niets te maken met Ed Maduro, een stoker op de Beursplein. De enige connectie is, dat de nostalgische rotterdamse trams allang niet meer rijden in Madurodam, helaas. In Rotterdam zelf ook niet en na 14 mei 1940 was Rotterdam helemaal onherkenbaar veranderd. Ed Maduro woonde aan de Korte Baanstraat 4 en deze straat werd weggevaagd met het bombardement.
Eduardo Ignacio Maduro was sinds 23 september 1940 stoker op de Beursplein. Hij was geboren in Willemstad, Curaçao op 1 februari 1898 (toen ook nog Nederlandsch West Indië geheten). Curaçao kwam al ter sprake in het artikel over het s.s. Suriname. Toen echter de oorlog uitbarstte boven Nederland, was Maduro al 16 jaar weg uit Curaçao. In oktober 1924 was hij in Rotterdam gekomen en woonde de eerste maand aan de Veerhaven 17 in het Chr. Tehuis voor Zeelieden.
Eigenlijk heette hij Eduardo Ignacio Franco,naar zijn moeder Anna Lucia Franco. Pas op 19-11-1934 werd zijn naam veranderd van Franco in Maduro, naar de man met wie zijn moeder trouwde op 15-6-1918, George Servatius Maduro. Anna Lucia Franco overleed als Anita Lucia Quintin Spoleta Maduro in 1927 op Curaçao (vraag me niet naar deze naamsverandering, misschien kan een lezer dit uitleggen?).
Op 31 juli 1929 huwde Ed Franco met Margaretha Bezem. Eind 1934 – het echtpaar woonde toen aan de Tuindersstraat – werd het dus Maduro.
Op 10 mei 1940 wist Ed met het s.s. Prins Frederik Hendrik buitengaats te komen en voer naar Engeland waar hij op 4 juli overstapte op de Prins Maurits en dan in september in Liverpool op de Beursplein.
De stokers Beekman en Maduro zullen vaak gezamenlijk de wacht hebben gehad (de Beursplein had 6 stokers en 3 tremmers op de rol, per wacht 2 stokers en een tremmer; een wacht was 4 uur op, 8 uur af). Eind 1934 woonde Maduro een half jaar aan de Tuindersstraat 61a. Beekman had van 1916 tot half 1924 aan de Tuindersstraat 63b gewoond. Mochten ze in de stille momenten tijdens hun wacht of daarbuiten hebben gesproken over Rotterdam, dan ontdekten ze misschien dat ze beiden bijna buren waren als er niet minstens 10 jaar tussen had gezeten.

Ed stierf in het stokersverblijf van de Beursplein – waarschijnlijk lag hij in zijn kooi – als één van de eerste twee slachtoffers op 26-2-1941. (Donkeyman Leendert van der Zwan was de andere dode.) Stel je eens voor, om 18:37 uur komt een formatie vijandelijke vliegtuigen in zicht, die nagenoeg hetzelfde moment een geconcentreerde aanval uitvoert op zowel de vleugel als de middelste kolommen van het konvooi. Een granaat van een Focke Wulf-bommenwerper viel recht door het luik van het stokersverblijf, waar deze niet ontplofte, maar wel veel schade aanrichtte. Ed, die drie weken daarvoor zijn 43e verjaardag had gevierd aan boord, stierf direct.
‘Zo werd op 1 februari Ed Maduro’s drieënveertigste verjaardag gevierd. Het was de kok gelukt om een paar ananassen op de kop te tikken uit de vracht van een nabij liggend schip en daarmee had hij enkele feestelijke lekkernijen gemaakt, die een beetje het idee van de Antillen moesten opwekken. Maduro had intens gelukkig geleken bij de herinnering aan zijn jeugd en vertelde over de ranke barkjes aan de kaai, de Christoffelberg waar je zo mooi wandelen kon en de branding bij de Tafelbaai. (….)
Het was de zegen van een mooie jeugd en de wonderlijke gave van de menselijke geest om verre plaatsen en tijden terug te roepen, zo geheel anders dan de nachtmerrie van de soms klemmende realiteit welke diezelfde mens zo kan neerdrukken.’

Met Mevrouw Hermans
‘Wat vindt ge ’t mooist van Curaçao,
De ranke barkjes aan de kaai?’
‘Zijn mooi, maar niet het mooist, Mevrouw.’
‘De branding bij de Tafelbaai?’
‘Gij raadt het bijna, maar nog niet.’
‘De vorstenmacht, waarmee de wind
Het landschap onderwerping vraagt?’
‘Nog niet.’
‘De Sint-Christoffel, die het Kind
Geduldig op zijn schouders draagt?’
‘Nog niet.’
‘Het afscheid van de zonneschijn,
Als Otrabanda vermiljoen
Een sprookjeshoofdstad lijkt te zijn?’
‘Nog niet.’
‘Van raden moet ik afstand doen,
Zeg zelf, wat gij het mooiste vindt.’
‘De zee, die langs de grotten schuimt,
De hemel, die het hart verruimt,
Het altijddurend krachtenspel
Van wind en landschap boeien wel,
Maar allerdiepst op Curaçao
Treft mij de taal, de gang, de lach,
De ongedwongen oogopslag
Van iedere man en elke vrouw.’
Anton Van Duinkerken


