Het lijkt soms of je in het leven wat mispeuterd moet hebben om herinnerd te worden. De registers van politie en justitie bevatten veel informatie over mensen die, als ze nette burgers waren geweest, hooguit binnen de eigen familie zouden herinnerd worden. Juist het lopen uit de pas gaf hen een mate van onsterfelijkheid.
Eerder schreef ik over ‘Broodje met Kaas’ die slechts voorleeft door een klein vergrijp. Haar fotootje, gemaakt op het politiebureau, zat in een boek geplakt met een korte aantekening. Dankzij die informatie kon haar leven enigszins worden opgediept.
Van mensen die in Veenhuizen terechtkwamen, werden ook foto’s en signalementkaarten bijgehouden, waardoor wij meer dan een eeuw later met hen kunnen kennismaken. Mensen die in de kantlijn van de geschiedenis hadden moeten verdwijnen, vergeten omwille van hun armoe, hun lage maatschappelijke status of gebrek aan moreel besef.
Cor Beekman kwam in een Rijksopvoedingsgesticht terecht omwille van iets waarvoor je tegenwoordig een paar uur naar Bureau Halt wordt doorverwezen. Maar wie na wat zoekwerk uitkomt in het archief met dossiers van jongens-opgenomen-in-het-Rijksopvoedingsgesticht, vindt een schat aan informatie over de jeugdige boefjes.
Uiteraard algemene gegevens zoals naam, adres, ouders en kerkelijke gezindte, een doopbewijs, een pokkenbriefje, maar ook het gepleegde of veronderstelde vergrijp, de straf en het extract-vonnis. Maar dan wordt het echt interessant. Bijnamen, werkzaamheden, een karakterschets, inlichtingen over het gezin, gedrag ouders. Gegevens over het dagelijks leven die je anders nergens zou terugvinden. Gegevens ook die binnen een familie vaak alleen mondeling wordt overgeleverd en dan nog binnen 1, hooguit 2 generaties.
Wat weet u, jij van de ouders en grootouders?
De ‘misstap’ van Cor Beekman op zijn twaalfde kostte hem bijna zes jaar van zijn jeugd (en dat heb ik het niet eens over de invloed ervan op de rest van zijn leven), maar het leverde hem wel – postuum – een zekere onsterfelijkheid. (wordt vervolgd)
